Boekje: 2. God?

God? : 1963 – 1977

Hoofdstuk 2

Die scheiding door geloof zag je vaker. Op de middelbare school (de openbare natuurlijk) werden eens flyers uitgereikt van Youth for Christ. Je kon je opgeven voor een jeugdkamp. Op de flyer was een gitarist te zien met een groepje jongelui, gezellig rond een kampvuur. Je zou er zó heen willen! Maar ja, dat kon niet, want het was christelijk.

Als puber neem je niet voetstoots aan wat je van huis uit meekrijgt. Vandaar dat in me opkwam: “Zou ik niet, net als anderen, in God kunnen geloven?” Ik probeerde me God voor te stellen. “Op een wolk? Kon Hij mij horen? Ze zeiden van wel.” Maar ik zag niets en merkte niets. “Hoe kan Iemand in de hemel mij verstaan? Die afstand is toch veel te groot. En trouwens, spreekt God wel Nederlands?” Kortom, mijn poging om het kunstje na te doen mislukte.

Ik kende wel een ander kunstje: christelijke muziekkorpsen onderscheiden van niet-christelijke. Dat ging zo. Tijdens het bloemencorso in ons dorp liepen ook flink wat muziekkorpsen mee in de stoet. Van een afstandje probeerde ik in te schatten of een korps uit christenen of “gewone” mensen bestond. Dat kon je zien aan hun gezichten. Ernstig en ingetogen? Dan waren het christenen. Hadden ze plezier in wat ze deden? Dan waren ze niet-christelijk. Vaak raadde ik goed.

 

In mijn studententijd kocht ik een dun boekje over de wereldgodsdiensten. Al lezend besefte ik dat ik bezig was met een soort van consumentenbondonderzoek. Elk geloof voorzag ik van ++ – – . Het geloof waar je het minste voor hoefde te doen was favoriet. “Zo beoordeel je geen geloof”, besefte ik ineens en ik gooide het boek aan de kant. Voor mijn studie moest ik Franse schrijvers lezen. Eén daarvan schreef uitgebreid over zijn geloof. Ik maakte me een voorstelling van wat het is om te geloven en concludeerde: “Geloof is een warm bad, atheïsme is een koude douche. Geef mij maar de koude douche, want dat is de waarheid”.

Terug naar inhoudsopgave

Verder met hoofdstuk 3: Kritisch