Boekje: 5. Is het waar?

strijd gevoel-verstand

Hoofdstuk 5

De zondag daarop probeerde ik een andere kerk uit. Er was een doopdienst; een baby werd besprenkeld. In de preek werd gezegd dat het kindje nu bij God hoort. Ik fantaseerde dat ik dat kindje was en dat ik ook bij God hoorde.
In een andere dienst leerde ik dat we Gods eigendom zijn. Wow! We behoren God toe. Er is een band. God zorgt goed voor Zijn bezit. En wij, Zijn eigendom, staan ten dienste van onze Eigenaar. Dat raakte me. Opnieuw kreeg ik het verlangen bij God te horen.

Sinds mijn eerste kerkbezoek ging ik naar diverse kerken. Ik zat daar als atheïstische kerkganger. “Of was ik nou gelovig aan het worden? Nee, dit is geen geloof. Dit is een uit de hand gelopen interesse, meer niet.” Mijn identiteit wankelde. Na afloop van de samenkomsten was ik altijd snel verdwenen uit vrees dat men zou vragen wat ik geloofde. Ik zou dan niets uit kunnen brengen, zo groot was mijn verwarring. Mijn honger naar het evangelie bleek niet te stillen.

Ik wilde de Alpha-cursus volgen, een kennismaking met het christelijk geloof, maar er waren apen en beren op de weg: “Die lui zullen me vast willen bekeren. Daar zijn ze immers altijd op uit! Als ik bij hen aan tafel zit, kan ik geen kant meer op. En misschien stellen ze het geloof mooier voor dan het is.” Ik besloot eerst de internetcursus Wa@rom Jezus te doen. Dat was veilig, want het ging per e-mail. En van te voren wilde ik de hele Bijbel lezen. “Mij maken ze niets wijs!”

 

Mijn belangrijkste vraag tijdens de cursus:

Hoe weet je of het waar is?

 

Een simpele vraag, waar helaas geen bevredigend antwoord op kwam. Aan het eind van de cursus werd gevraagd of we het “zondaars-gebed” wilden bidden. Dat is een gebed waarin je erkent het offer van Christus nodig te hebben voor vergeving van zonden. Dat landde niet bij mij. Ik heb het dan ook niet gebeden.

“Wa@rom Jezus” was nog maar net afgelopen of er startte in mijn woonplaats een Alpha-cursus. Dus ik er heen. Dat was gezellig en leerzaam. Geen vraag was te gek. Ik stelde vragen als: “Bewijs maar eens dat er een geestelijke wereld bestaat”. Dat kon men niet. Op mijn vraag waarop ze hun geloof baseerden kreeg antwoorden als: “Kijk maar naar de natuur”. Dat vond ik geen argument, want ik bewonderde de natuur al jaren, maar had daarin nooit God gezien. Ik had zo graag een antwoord gehad waardoor ik óók zou kunnen geloven.

Vele vragen volgden, maar antwoorden waarmee ik wat kon, bleven uit. “Zal ik er dan maar mee ophouden? ….. Nee!” Alles in mij verzette zich daar tegen. Ik bad om geloof en nam mijn toevlucht tot boeken, op zoek naar een rationele onderbouwing van het geloof.
“Dingen aannemen waar geen bewijs voor is, dat is toch onverantwoord! Je zet je leven toch niet op iets wat onzeker is! Het geloof moet op z’n minst aannemelijk zijn!”

Ik vond ergens een interessante redenering:

God is de Gans Andere.

Daar kon ik inkomen: het begrip “God” duidt op iets dat afwijkt van al het andere. Of God nu bestaat of niet.
De redenering gaat, in mijn eigen woorden, als volgt verder:

Van alles wat bestaat is een concrete beschrijving te geven. Zelfs van onzichtbare gassen en van de liefde. Je wilt graag het bestaan van God bewijzen? OK, stel dat het je lukt, wat heb je dan? Een volledige, concrete beschrijving van God (uitgebreider dan een rijtje karaktereigenschappen).

Als er een beschrijving te geven is van zowel God als van al het andere, is er geen wezenlijk verschil tussen beide. Toch MOET er verschil zijn, anders kan God niet de Gans Andere zijn. Daarom is een beschrijving – en dus ook het bewijs van God – ongewenst. Het unieke, het gans andere van God is nu juist Zijn onbeschrijfelijkheid.

Die redenering werkte als eye-opener: het bestaan van God werd voor mij, ook in rationeel opzicht, voorstelbaar.

  • Daarvóór dacht ik zo: “We zien het bovennatuurlijke niet, dus bestaat het niet”.
  • Na de eye-opener: “We zien het bovennatuurlijke niet. Als het er is, is het zodanig “gans anders” dat we, zelfs met al onze hulpmiddelen, niet in staat zijn het waar te nemen.”

Het idee dat de mens beperkt zou kunnen zijn in zijn vermogens, was nieuw voor me. Er kwam ruimte voor méér tussen hemel en aarde. Mijn zoektocht naar het bewijs van Gods bestaan stopte. Dat gaf rust.
Als iemand sprak over God, kon ik dat, sinds mijn nieuw verworven inzicht, aanhoren zonder er meteen bij te denken: “Dat zeg je nu wel, maar die bestaat niet.”Terug naar inhoudsopgave

Verder met hoofdstuk 6: De grootste hobbel